Postduiven in oorlog en vrede

Een duif te Dordrecht 

Nederland bleef buiten de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Het West-Europese slagveld speelde zich vooral in Frankrijk en België af. Wij hielden ons angstvallig neutraal en bleven zodoende buiten schot.

Net als alle andere landen hadden we in die tijd wel een militaire duivendienst, de Rijkspostduivendienst, met een hoofdkwartier in Den Haag. Daar bevonden zich stationaire duivenhokken, waar geschikte duiven werden gefokt en militaire verzorgers werden opgeleid. De divisies in den lande beschikten over verplaatsbare duivenstations. De dienst onderhield vliegverbindingen tussen een aantal vaste militaire posten. Hierover volgende keer meer. 

Nederland bleef dus afzijdig in de oorlog, en hoe absurd die neutraliteit soms werd toegepast, moge blijken uit het volgende voorval.

Aanvlieger

Toen Johannes van den Beemt van de Noordendijk in Dordrecht op de middag van 28 oktober 1916 bij zijn duivenplat achter het huis kwam, merkte hij direct een vreemde duif op. Vreemd ringetje om de ene poot en een berichtenkokertje aan de andere poot. Nieuwsgierig maakte Van den Beemt het open: er zat een briefje in van de Government Pigeon Service, verzonden op 26 oktober, 4.45 uur. Hier was dus duidelijk sprake van een postduif “on his Majesty’s Service”, in actieve dienst!

Het briefje bevatte de aanwijzing dat het direct naar het dichtstbijzijnde telegraafkantoor moest worden gebracht ter verzending. Johannes deed dat netjes maar het post- en telegraafkantoor stak er een stokje voor: de seinkosten van het telegram zouden niet worden betaald en dus ging de verzending niet door. Geen geld, geen telegram.

Politie

De politie werd gebeld en de commissaris kwam hoogstpersoonlijk bij Van den Beemt om de duif te zien. Hij bekeek het ringetje en las het briefje dat afkomstig bleek van “seaplane 3633”. Met de scherpzinnigheid die van zijn rang mocht worden verwacht, concludeerde hij dat het was verzonden door een Engels watervliegtuig. Hij schatte in dat de verdwaalde duif wellicht tot grote diplomatieke verwikkelingen kon leiden. Hij begreep dat hij dat risico niet kon lopen en stuurde nog dezelfde dag een rapport aan zijn baas, de Procureur-Generaal te ’s-Gravenhage, met het briefje en de vraag wat er met die duif moest gebeuren. 

Justitie

Procureur-Generaal Van Brandeler realiseerde zich op zijn beurt welke vreselijke internationale verwikkelingen konden ontstaan en zond op 30 oktober een brief naar de Minister van Justitie. Je kon tenslotte beter het zekere voor het onzekere nemen. Dat vond ook de Minister van Justitie, die zelf geen beslissing wenste te nemen en de volgende dag zijn collega van Buitenlandse Zaken inschakelde. Nu werd aan de brief het woord “Geheim” toegevoegd!

Buitenlandse Zaken zat duidelijk in zijn maag met de gevaarlijke affaire. Er waren wel bepaalde gedachten over, maar het leek toch verstandig contact op te nemen met de Minister van Oorlog.

Oorlog

Op 8 november 1916 schreef Minister Loudon van Buitenlandse Zaken aan zijn ambtsgenoot Bosboom van Oorlog: “Ik heb de eer U hierbij te doen toekomen een schrijven van onze ambtgenoot van Justitie, met bijlagen, betreffende een hier te lande neergestreken Britse postduif.” Loudon vroeg of zijn collega van Oorlog ook van mening was dat “tot internering van de vogel moet worden overgegaan.” In dat geval moest Bosboom maar de nodige stappen doen. Buitenlandse Zaken suggereerde ook nog dat de postduif, die intussen nog steeds bij Johannes in Dordrecht zat, wellicht geschikt was voor de postduivendienst van het Nederlandse leger. Dan zou Buitenlandse Zaken aan de Engelse regering kunnen voorstellen het diertje voor een bepaald bedrag over te nemen.

Internering

Minister Bosboom van Oorlog stemde volmondig in met de gedachte dat de duif geïnterneerd moest worden. Zo ging dat met buitenlandse militairen! En hij diende te worden overgedragen aan de Rijkspostduivendienst “teneinde de bewaring en verzorging van de vogel over te nemen”. Als de duif geschikt bleek voor de Nederlandse dienst, “zal wellicht een nader voorstel tot overname van de vogel door Uw tussenkomst aan de Britse Regering worden gedaan.”

Opgelucht liet Buitenlandse Zaken aan Justitie weten dat de duif ondergebracht zou worden bij de Rijkspostduivendienst in Den Haag.

Mistig

Of er later nog contacten zijn geweest met de Engelsen verhaalt het dossier van Buitenlandse Zaken niet. Evenmin is bekend hoe lang de duif hier op zijn lauweren mocht rusten, eerst bij Van den Beemt in Dordrecht en later dus bij de postduivendienst in Den Haag. Waarschijnlijk niet langer dan tot november 1918: toen werden alle geïnterneerde buitenlandse militairen naar huis gestuurd. De oorlog was afgelopen.

Natuurlijk blijft de brandende vraag welke geheime boodschap het briefje bevatte dat de duif mee naar Dordrecht bracht. De inhoud luidde: “Hoogte 1500 voet, mistig weer, alles wel.”

(Naar een artikel van Hans van Lith, die het hele voorval nauwgezet heeft gereconstrueerd uit brieven in het Nationaal Archief, gepubliceerd in: Opgediept Verleden deel V, Western Front Association Nederland, 2004)

 

Een gecamoufleerd Brits duivenhok uit 1918. Misschien hoorde die aanvlieger in Dordrecht hier wel thuis...

 

 

Top